Op bedevaart. Het einde van Spanje

Gisteravond. Het diner is achter de kiezen. Een dingetje. Het hotel heeft geen eigen parkeergelegenheid. Alle motoren, zestien in totaal, staan op de stoep in de straat. Dat vind de politie vaak niet goed, zo wordt ons medegedeeld. Maar er is een parkeergarage verderop in de straat. Klein stukje rijden, dus komt het voorstel om effen de brommers naar de garage te brengen. Immers, klein stukje. Kan best effen snel zonder helm. Top. Iedereen naar buiten, brommers starten. De vijf Goldwings hebben allemaal een stereoset aan boord. Ja, ja, ik weet het. Maar het zijn tóch echte motorfietsen. Piet gooit Guus Meeuwis op de speakers, Karel kan daar overheen met Koos Alberts. Inderdaad, die muziek is het. Dat kan Piet niet op zich laten zitten. Opschroeven, dat volume. Dan rijden. Maar de straat heeft eenrichtingsverkeer. Ach, die ene auto houdt daar toch wel rekening mee? Niet zeiken, rijden. Maar die ene auto, dat is bijna een hele file. En al die mensen gebaren dat we tegen het verkeer in rijden. Oh ja? En dat kleine stukje blijkt iets meer dan een klein stukje. We draaien een hoofdstraat in. Mensen op terrasjes die verbaasd kijken waar ineens die herrie vandaan komt. Jazeker, Guus Meeuwis is een bak herrie. Koos Alberts ook trouwens. Die KTM? Da’s echte muziek. Overal gaan mobieltjes de lucht in. We worden gefilmd. Zouden we de lokale TV halen? Dan vraagt iedereen zich af waar die garage nou eigenlijk zit. Geen idee. De hele stoet gaat maar even langs de kant. Zestien stampende motorfietsen. En iedereen nog steeds zonder helm. Koos Alberts wordt omgewisseld voor Tante Leen. Ook een kaskraker. Op vol volume. Dan heeft iemand de garage ontdekt. De hele optocht weer in beweging, die garage in. Blijken de meeste plaatsen “Privado” te zijn. Oei. Dingetje. Rondrijden in de garage, nog steeds met een galmende Tante Leen, op zoek naar vakken die niet Privado zijn. We vinden er vier. Daar persen we alle brommers in. Dan brult er iemand of die Tante Leen misschien haar muil wil houden. Dat lukt. Hele operatie geslaagd. Stel, er zou politie de hoek om zijn gekomen, hoe hoog zouden dan de bekeuringen zijn geweest? Met een paar glazen wijn op zonder helm op de motor tegen het verkeer in? Geen idee. Het was wél gezellig. Dat wel.

Vandaag kijken we in Santiago rond. De kathedraal is niet alleen een kerk, het is een heel complex van gebouwen. Robin en ik kijken binnen rond. Prachtig, indrukwekkend, nogal protserig. Om het voorzichtig uit te drukken. Dan treffen enkele mannen in witte jurken voorbereidingen. “De mis gaat beginnen. Zullen we gaan zitten?”, vraagt Robin. Ik vind het best. Zeeën van tijd. Toch? Prachtig hoor, zo’n mis, maar gaandeweg voel ik me steeds ongemakkelijker. Ik ben niet Rooms-Katholiek maar Nederlands-hervormd opgevoed. En daar doe ik ook niets mee. Er wordt met wierook gezwaaid, er wordt wijn gezopen, hosties uitgedeeld…voor mijn gevoel hoor ik hier helemaal niet. De orgelmuziek, prachtig. Dat wel. Dan begint ineens iedereen elkaar een hand te geven. Ik heb geen flauw idee waarom en iets zegt me dat ik er niet aan mee moet doen. Waarom niet? Ik heb geen idee, eigenlijk. Maar dat wierook zwaaien wordt een dingetje. Midden in de kathedraal hangt een groot koperen vat (de Botafumeiro genaamd) aan een lang touw een meter of drie boven de grond. Deze kathedraal staat erom bekend dat op niet nader genoemde tijden de priesters dat vat, gevuld met wierook, door de volle lengte van de kerk heen en weer slingeren. En dat is precies wat er gebeurd. Robin en ik zitten zo’n beetje eerste rang. En dat is slingeren is serieus spectaculair. Op zeker moment raakt het vat bijna het plafond. Een zestal priesters zorgen er met touwen voor dat als het vat naar beneden komt het niet de balustrades en de hoofden van de mensen raakt. Tuurlijk, ze hebben dat vaker gedaan, maar ik zit het werkelijk ademloos aan te kijken. Bekijk het filmpje dat Robin maakte. En bekijk hier de simulatie van de bewegingen van het vat.

Na afloop wandelen we het plein op. En aanschouwen de tientallen pelgrims die doodmoe na een monstertocht, hand in hand, zingend het plein opwandelen, soms eerder strompelen, en elkaar huilend in de armen vallen. Het raakt me diep, heel diep en ik moet een paar keer flink slikken. De hele sfeer is overweldigend. Te midden van de kerkgebouwen die een beetje verwaarloosde indruk maken. Ze stralen eeuwen ouderdom uit, met hun patina van met mos bedekt zwart gekleurd oud gesteente. Het maakt het alleen maar indrukwekkender. De reisleiding had gemeld dat Santiago weinig voorstelt. Daar ben ik het volledig mee oneens. Vergeleken met al die protserige, overdreven en opgepoetste bling-bling kerken in alle vorige steden is Santiago de kers op de taart.

Wat het nog meer speciaal maakt is een tentoonstelling van smeedijzerwerk, waarbij de smeden in een grote tent hun werk ter plekke staan te maken. Grote kolenvuren waarin roodgloeiende stukken ijzer liggen te blikkeren en zwetende smeden met grote hamers het ijzer in de gewenste vorm slaan. Een lust voor het oog. Mijn Nikon maakt overuren. Dit is echt genieten! Een droom voor een hobbyfotograaf zoals ik.

‘s-Middags rijden we naar Kaap Finisterre. Het meest noordwestelijke puntje Spanje. Bijnaam: Costa da Morte. De traditie wil dat pelgrims hier hun loopkleding verbranden. De rots met het kruis heeft een aantal gaten die zwartgeblakerd zijn van de gestookte vuurtjes. Mooi. Behalve dan dat ik bijna mijn tanktas vergeet op de terugweg. Bijna. De tas had ik uit veiligheidsoverwegingen van de motor gehaald. Om hem daarna ergens op de grond te zetten om foto’s te kunnen maken. Lekker slim.

Met de KTM naar Santiago

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Alle bedevaart berichten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *