1000 bochten

Dat zijn er nogal wat. 1000 bochten. Ik geloof er geen bal van dat die jongens ze echt geteld hebben. Bovendien, wat is nou precies een bocht? Hoe dan ook, afgelopen weekend was het subliem motorweer, plannen had ik verder niet, en met toestemming van de werkgever voor een extra snipperdag op maandag heb ik zaterdagochtend de spullen op de motor gebonden en ben ik naar Luxemburg vertrokken. Om daar die 1000 bochten te rijden. Niet voor de eerste keer trouwens. Vier jaar geleden deed ik dat ook al.

Ik ga opnieuw kamperen. Omdat ik dat nou eenmaal leuker vind dan zo’n duffe hotelkamer. Ik vind een paar campings vlakbij de Luxemburgse grens. Op internet ziet het er leuk uit. Voor dat tentje heb ik maar twee vierkante meter nodig maar het is eind juli dus hoogseizoen. Toch maar even bellen. De eerste campng is vol, zo wordt me medegedeeld. De tweede, die er ook leuk uitziet, ook. De derde heeft plek zat. Dan die maar. Ik bak met MRA een rit zonder snelwegen.

Zaterdag. De rit vergt zes uurtjes rijden en heel bijzonder is het allemaal niet. Geen snelwegen, dat klopt wel, maar Vlaanderen binnendoor? Is dat leuk? Als je van kasten van huizen houdt kom je ruimschoots aan je trekken. Sommige zo groot als kastelen. Rolluiken gesloten, geen leven te bekennen. De eenzaamheid druipt er vanaf. Daar zit je dan. Samen met je vrouw met vijftien kamers, een zwembad zonder leven, een privé kegelbaan (daar kan ik me niks bij voorstellen), een wijnkelder (daar kan ik me wel iets bij voorstellen), een motormaaier om rondjes te rijden op dat enorme grasveld, een…. vul maar in. Of dat een leuk leven oplevert? Geen idee. Maar alle passanten die erlangs rijden, zoals ik nu, vinden het indrukwekkend en daar gaat het om. Zeker en vast.

De camping is best groot. Voornamelijk jaarplaatsen voor caravans waarmee nooit gereden wordt. En een groot veld dat vrijwel leeg is. Ik word erheen gebracht door de eigenaar die een beetje Nederlands spreekt. Hij rijdt voor me uit, stopt de auto, stapt uit en gebaart breed: kijk maar waar je hem neerzet. Ik vraag naar de electriciteitspunten en de man gebaart naar een boom. Het is ook de enige plek met een beetje schaduw en dat is in de huidige warmte prettig. Ik wijs, de man vindt het prima en stapt weer in zijn auto. Hij rijdt naar een doorgang naast de boom en verdwijnt. Ik begrijp: dat is een achterom naar de receptie. Ik laad de spullen af en zet de tent op. Een kwartiertje later ben ik geïnstalleerd en plof neer op mijn stoeltje. Tegen de avond ontdek ik dat die handige doorgang naar de receptie, die in het restaurant zit, ook voor de rest van de campinggasten handig is. Iedereen wandelt door mijn voortuin naar dat restaurant. Het is dat ik mijn benen intrek. Iedereen zegt vriendelijk “bonjour”. Aardige mensen. Ik zeg vriendelijk “bonjour” terug. Ik ben ook aardig, als ik mijn best doe. Jammer genoeg gaat mijn Frans niet veel verder dan dit. Maar na zestig keer bonjouren ben ik daar toch wel een beetje klaar mee. Het helpt als ik mijn stoeltje met de rug naar de doorgang zet en aandachtig op mijn mobiel ga zitten lezen. Doen alsof ik er niet ben. Een slaapzak over mijn hoofd? Nee. Te demonstratief. Da’s genant. Een emmer heb ik niet bij me. Toch niet zo’n goede plek, voor die boom.

Op zoek naar het sanitair. Niet te vinden. Ik loop naar de receptie, inderdaad: door die doorgang, en vraag het de eigenaar. Er blijken twee sanitairblokken. Beide op de uithoeken van het nogal grote terrein. Eén van de sanitairblokken is kapot, krijg ik gemeld. Het andere zou het moeten doen. Meer informatie krijg ik niet. Op inspectie. Dat valt tegen. Het sanitairblok is een krakkemikkige bende. Een paar toiletten, wastafels en drie douches. De wastafels hebben alleen koud water. De douches hebben een muntautomaat maar de staat van het spul is zodanig dat ik vermoed dat er alleen koud water uitkomt. Het is ook even lopen, van mijn tentje naar het sanitair. Nou is het veld waar ik sta tamelijk verlaten en voor mannen zijn bomen voor meerdere zaken handig. Ik ga niet iedere keer dat pesteind lopen.

Zondag. Tijd voor de 1000 bochten. De route heb ik jaren geleden gedownload van de gelijknamige website. Die route is prachtig. Ik mag in totaal driehonderdvijftig kilometers rond pruttelen in mooi Luxemburg en een klein stukje Duitsland en Frankrijk. Lukt dat? Zo’n afstand in dat kleine land? Jawel. Met een hoop lussen lukt dat prima. Het weer is perfect. Zodanig dat ik in doorwaai jack en spijkerbroek rondbrommer. Luxemburg heeft voor de verwende motorrijder veel te bieden. Of het inderdaad duizend bochten zijn weet ik niet maar het zijn er meer dan voldoende. Dat is zeker. Het Müllerthal is natuurlijk een verplicht nummer. Niet alleen voor mij maar ook voor honderden andere toeristen en die zijn er dan ook. Allemaal tegelijk. Dat is logisch want zondag en vakantietijd. Afstappen om rond te kijken zou kunnen maar ik doe het niet. De drukte spreekt me niet aan. Bovendien heb ik foto’s zat van de vorige keren dat ik hier geweest ben, toen het minder druk was.

Twee keer kom ik een bord “route barree” tegen op de route. Beide keren negeer ik het en kijk ik terplekke of de wegwerkzaamheden inderdaad een doorgang belemmeren. Beide keren heb ik mazzel. De KTM heeft niet zoveel moeite met een opgebroken straat en wat zand en stenen hier en daar. Maar dan kom ik een derde keer zo’n bord tegen. Ik negeer het opnieuw maar van wegwerkzaamheden is nu geen sprake. Wel veel wandelaars, fietsers, paarden en wagens, huifkarren en kinderen op stepjes. Aanvankelijk snap ik er geen lor van. Totdat sommige mensen gebaren maken. En me verbaasd aankijken. Tja, ik weet het. Die oranje helm vind ikzelf ook prachtig. Ik stop en check de navigatie. Het is toch echt een gewone weg. Stapvoets pruttel ik verder. Ik zie geparkeerde auto’s met mensen die ernaast zitten te picknicken. Die auto’s komen toch niet uit de lucht vallen? Volgens Garmin is het nog tweeënhalve kilometer naar de rotonde. Ik kan omkeren maar dan moet ik zo’n zelfde afstand opnieuw langs dezelfde mensen. Dat levert niks op. Dan maar doorrijden. Langzaam. Ik nader de rotonde en daar is het feest. Partytenten, banken, terrasjes, opblaasdingen voor kinderen, stalletjes. Nu snap ik het. De route is voor deze zondag afgesloten voor alle verkeer en ze hebben er een voetgangerszone van gemaakt. Best begrijpelijk want het stukje weg is schitterend, naast dat pittoreske beekje en door dat bos. Het is druk en honderden fans staren me aan in stille adoratie. Zelden ben ik zo populair geweest. Als ik het hek passeer, waarop aan deze kant van de route wél borden die duidelijk aangeven wat de bedoeling is, staan twee agenten me stomverbaasd aan te kijken. Ik maak een gebaar waarvan ik hoop dat het er uitziet als “excuus; ik zal het nooit meer doen”. Ik geef snel een beetje gas bij en verdwijn over de rotonde. Er komen geen auto’s met zwaailicht en sirene achter me aan, zoals een maand geleden met Steven in Frankrijk. En door. Misschien krijg ik nog een leuk aandenken thuis. Zou kunnen.

Op vier minuten rijden zit een pizzeria. Hoge waardering volgens Google. De tent gaat om zeven uur open. Het is een kort ritje maar toch net lang genoeg om een wesp gelegenheid te geven de mouw van mijn jas in te vliegen. Dat ie daar zit weet ik niet maar het beest is er niet blij mee en laat me dat duidelijk voelen. Het dwingt me om de brommer langs de kant te zetten zodat ik kan kijken waar die scherpe pijn ineens vandaan komt. Poeheee. Afgezien van een flinke rode vlek een dag later houd ik er niks aan over. Geen allergie blijkbaar. Goed om te weten.

Maandag. Inpakken en naar huis. Om half tien rijd ik het terrein af. Garmin geeft me een “adventurous route” binnendoor naar Valkenburg. Het is mooi rijden. Ik passeer de waterval bij Coo. Stervensdruk. Ooit, ik schat ruim veertig jaar geleden, heb ik hier met motormaten in een kart rondgerausd op een kartbaantje. In de regen. Of dat baantje er nog steeds zit weet ik niet. Ik vind het te druk om te gaan kijken. Die waterval hoef ik niet meer te zien. Veertig jaar terug viel dat ding me tegen. Ik verwacht dat dat nu niet anders is. Tenzij ze hem minstens twintig meter hoger gemaakt hebben. Dat lijkt me niet waarschijnlijk maar alles kan natuurlijk. Anno tweeduizendtweeëntwintig hoef je nergens meer vreemd van op te kijken.

Om half één rijd ik Valkenburg binnen. De drukte valt mee. Op de splitsing richting de Couberg zitten diverse gezellige restaurantjes. Ik parkeer de motor op de stoep en plof neer op een terrasje voor een bak koffie en een vlaai. Die smaakt hemels. Na een ruim half uur verlaat ik Valkenburg over de Couberg. Van de natte ellende van een jaar geleden krijg ik niets mee en dat hoeft ook niet. Die mensen zitten niet te wachten op een ramptoerist op een KTM.

Tegen de klok van drie parkeer ik de motor in de tuin. Weer een mooie ervaring rijker. En de KTM heeft er weer duizend kilometer bij. Nog twee en hij tikt de ton aan. Dat zal ergens de komende maanden wel een keer gebeuren. Fotomoment!

De camping, daar ga ik niet meer naartoe.

1 reactie

  1. John Knappers schreef:

    Hi Ron, we hadden al eens contact via Facebook. Je schrijft leuke content, fijne blogs!
    We hebben nog wel een keer contact!! Groet, John

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.