1000 bochten in Luxemburg

Het is de naam van een website. 1000 bochten. Een rondrit door voornamelijk Luxemburg. De jongens die het in elkaar geschroefd hebben zullen het aantal bochten geteld hebben. Tenminste, dat denk ik. We kunnen natuurlijk zeuren over de exacte definitie van een bocht, maar dat gaan we niet doen. Boeien. Het enige dat ik ervan weet is dat een rotbocht altijd naast een kerk ligt. In die kleine gehuchten waar alleen verder een kroeg zit. Het belangrijkste: als de rit maar mooi is. Het is ieder jaar een happening waar veel mensen aan deel nemen. Die verzamelen de avond tevoren op een camping zodat ze ‘s-ochtends vroeg fris en fruitig los kunnen. Want de hele rit is zo’n vierhonderd kilometer lang. Lukt dat in dat kleine landje? Ja, dat lukt.

Ziezo. Dat was de inleiding. Want ik heb er nooit aan meegedaan. Nu ook niet. Er waren wel plannen maar het is er tot op heden niet van gekomen. Ik heb wél de route gedownload. Dat wel. En omdat het vandaag, 5 mei 2018, het mooiste weer van de wereld is vind ik het een strak plan om even die route te gaan doen. Vanaf Capelle aan den IJssel, waar ik woon. En terug. Moet kunnen.

Het is zeven uur in de ochtend en de thermometer meldt acht graden. De lucht is strakblauw en de zon staat net boven de nokken van de huizen. Een drie kwartier en een ontbijtje later vertrek ik. Het is stil op de A16. Ik rijd op mijn dooie gemak, heerlijk relaxed, het leven is goed. Op de Utrechts Motorbeurs in februari heb ik me op de stand van Alpine een setje maatwerk oordoppen laten aanmeten. Ik heb nog steeds bewondering voor die jongens die vier dagen lang in honderden oren hebben staan turen. Met al die gele bonkjes kan dat geen prettig gezicht zijn. Omdat ik drie uur gummen richting Luxemburg voor de boeg heb heb ik de proppen in. Op de snelweg is daardoor de rust op de oren aangenaam. Het gebulder van de wind rond m’n helm hoor ik alleen in de verte. Prettig. Op binnenwegen, als het minder hard gaat, zie ik het nut minder. Dan hoor ik liever alles om me heen.

De klok van de KTM vertelt me een vrolijke honderdvijftig km/u. Dat mag niet maar het gaat vanzelf. En omdat ik zo’n beetje alle rijstroken voor mezelf heb is er geen enkel probleem. Antwerpen voorbij en dan die saaie kloteweg richting Luik. Dat slaapverwekkende stuk waar niks gebeurt, niks te zien is en waar geen eind aan lijkt te komen. De A13. Het is nog steeds niet echt warm en mijn vingers beginnen een beetje koud te worden. Dan is de handvatverwarming van de KTM toch wel een zegen. Voor me doemt een andere motorrijder op. Een Belg. Op een fonkelnieuwe Kawasaki Z900. Uit 1975. De tijd dat die dingen gebouwd werden. En daarna niet meer. Een iconische brommer. Ik blijf er even naast rijden en bewonder het ding. Werkelijk alsof hij zo de showroom uitkomt. Schitterend. Ik steek mijn duim op naar meneer Belg. Een brede grijns onder de jethelm is mijn deel. Leuk. Woorden zijn niet nodig, wij begrijpen elkaar.

In de buurt van Luik even de snelweg af om te tanken. “Eerst betalen en dan tanken”, lees ik op een briefje op de pomp. In het Frans. Dat ken ik niet maar de tekst laat zich gemakkelijk raden. Dit gebeurt vaker in België en het is niet nieuw voor me. Ik snap de reden maar het blijft bloedirritant. Mag je gaan schatten hoeveel benzine erin moet. Want als je dertig euro dokt en er blijkt maar vijfentwintig euro in te kunnen, krijg je dan die teveel betaalde vijf euro terug? Gezeik. Dan valt mijn oog op een pinautomaat. Aha. Het kan ook elektriek. Veel beter. Pasje erin, code toetsen, pompnummer toetsen, slang in de tank hangen….niks. Godsakke! Hebben die Belgen natuurlijk weer ruzie met Bill Gates gehad. Nog maar een keer opnieuw proberen. Nu laat ik de slang wat langer in de tank hangen en verdomd, witte rook. Er komt sap uit. Ben ik weer te ongeduldig.

Het is half elf als ik bovenin Luxemburg de snelweg afdraai en het binnenland opzoek. De TomTom praat me de route door. En die is schitterend. Het groen valt me overal op. Niet van dat ik-maak-er-een-eind-aan groen maar het sappige hallo-hier-ben-ik groen. Ik ben een lente-mens. Alles nieuw, fris en fruitig. Heerlijk. Wat ook opvalt zijn inderdaad die bochten. Ik ken Luxemburg vrij goed, denk ik, maar ik krijg stukken voorgeschoteld die ik werkelijk niet eerder gezien heb. En het slingert dat het een lieve lust is. Je kunt merken dat de jongens moeite hebben gedaan om saaie stukken zoveel mogelijk te vermijden. Dat is ze gelukt! Ik geniet met volle teugen. Op smalle, onoverzichtelijke wegen doe ik rustig aan, op bredere wegen met overzicht laat ik de KTM doen waar hij goed in is. Het gloednieuwe rubber van Dunlop moet aan de bak. Af en toe zie ik in mijn ooghoek het controlelampje van de tractiecontrole oplichten in het dashboard. Dan gaat het te ruig en lost de KTM het zelf op. Mooie techniek.

De route komt ook door het Müllerthal. Imposante rotsformaties. Hier doe ik kalm aan want anders zie ik niks van de mooie natuur. Een beetje rondpruttelen kan de KTM ook prima. “Perekop” lees ik op een bordje. Een parkeergelegenheid onder een indrukwekkende rots met een zwik trappen. Ik parkeer de brommer en klim naar boven. Schitterende natuur. Prachtig uitzicht. Weer terug beneden staat er een klein meisje naar mijn motor te staren. Ik zwaai naar het kind. Het kind zwaait terug. “Opa heeft ook een motor”, verklaart moeder die er naast staat. Juist. Ik word vergeleken met opa. Als ik staks thuis ben toch maar even een touw zoeken. Het trapgat zal wel hoog genoeg zijn. Ik stap weer op, zwaai opnieuw naar het meisje en laat moeder in haar sop gaar koken. Verder weer. Ik zie een bord dat motorrijders waarschuwt voor een gevaarlijke weg. Je ziet die borden wel vaker. Voor mij is het steevast een signaal om er eens goed voor te gaan zitten. Maar ik ben nog geen bocht verder of ik moet in de remmen voor een groep motorrijders die voor me uit rijden. De mannen rijden hakkeplof. Met de nadruk op PLOF, want ze rijden allemaal op Harleys. Die dingen sturen voor geen meter en om dat te compenseren zaag je de uitlaat eraf. Dan lijkt het nog wat. Deze jongens hebben druk gezaagd. Ze hebben allemaal een spijkerjackie aan. Satudarah, denk ik. Maar als ik dichterbij kom kan ik de tekst op de ruggen zien. Het blijkt een dochteronderneming. “Widows Sons”, lees ik. Het staat er echt. Ik jok niet. Verbazingwekkend. Als ik dat hakkeplof van de mannen zie vraag ik me serieus af waar de vrouw in godsnaam widow door geworden is. Misschien door de herrie? Ik besluit het spul voorbij te rijden. Bij de voorrijder aangekomen laat het me beter om Bennie Jolink geen gedag te zeggen. Dit soort jongens hebben doorgaans geen begrip voor knapen die niet op een Harley zitten. Zoals ondergetekende.

Het is vier uur ‘s-middags. Ik moet nog tachtig kilometer van de vierhonderd. En dan weer drie uur terug. Het is goed. Ik vraag TomTom een snelle route terug naar Capelle. De snelweg blijkt niet ver weg. Vlak voor de oprit zet ik de KTM aan de kant, doe de oorproppen weer in en vervolg mijn weg. Vlak voor Brussel zit een AC-restaurant langs de snelweg waar ik een vorkje prik. Het restaurant is zo goed als verlaten. De serveersters hebben weinig te doen en dus zeeën van tijd om mij royaal te helpen. Mooi. Het is duidelijk nog geen seizoen. Als je hier komt in het weekend tijdens de vakantiemaanden kan je over de hoofden lopen en is het een gekkenhuis. Dit bevalt me stukken beter.

Even over acht uur ‘s-avonds draai ik de KTM de tuin in. Job done. De brommer heeft het weer vlekkeloos gedaan en heeft weer negenhonderdvijftig kilometer meer op de teller. Daar is ie voor.

2 reacties

  1. Peter schreef:

    Mooi verhaal Ron !

  2. Peter van der Neut schreef:

    Leuk verhaal, Volgende keer rij ik achter je aan Ron.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *