Op bedevaart. Tours

De graanschuur van Frankrijk. Volgens mij noemen ze het zo. Goudgele velden vol graan, zover als het oog reikt. Het kan ook gerst of tarwe zijn. Daar wil ik vanaf wezen. Ik ben geen expert op dit terrein. Ze maken er bier en whiskey van en de rest interesseert me niet. Robin en ik rijden er dwars doorheen omdat de reisleiding het zo bedacht heeft.

We vertrekken uit Bordeaux rond de klok van acht in de ochtend met een koude vijfentwintig graden. Heerlijk. Tot aan een uur of twaalf blijft het zo. De bestemming is Tours. Een stuk naar het noorden. Eerst een stuk snelweg en dan eraf, het boerenbinnenland in. Prettig rijden, door die graanschuur, dus. We komen door tientallen Franse gehuchtjes. Van die gaten waar de klok al honderd jaar stil staat. Je rijdt er doorheen en dan denk je ineens “was dat nou een dorp?”. Jawel, dat was het. Een kerk, een kroeg en een rotbocht. Meer is het niet. Soms, heel soms is het een mondain dorp want ook een boulangerie en een pharmacie. Maar meestal niet. Er is geen levende ziel op straat. Alles dicht of dichtgetimmerd. Ergens zie ik de Maire uit het raam van zijn Mairie hangen. Op zijn gezicht lees ik de vraag “waar zijn al mijn burgers nou gebleven?”. Weet ik veel. Op het land? Gevlucht naar de grote stad? Waarschijnlijk. Wat moet een tiener met ambitie nou in dit soort gaten?

Coulombiers is ook zo’n gat, maar in dit geval een mondain gat want er zit een zevensterrenrestaurant. Niet dat ik die sterren geteld heb maar ik zag de menukaart en de prijzen zijn goed voor zeven sterren. Minstens. Jonnie Boer met zijn Garage zou er jaloers op zijn. Of heette die tent anders? Hoe dan ook, wij ploffen neer op het lommerrijke terras, ik pleur mijn laarzen achter mijn stoel waar nu slechts twee millimeter zweet in staat in plaats van twee centimeter en we bestellen de Plats du Jour. Omdat die tien euro kost en alle andere spullen bij dertig beginnen. Het is slechts een lunch, nietwaar. Het voer wordt gebracht en eerlijk is eerlijk, voortreffelijk. Echt. Goddelijk. Even naar binnen om af te tappen en dan blijkt de zus van Jan des Bouvrie haar slag te hebben geslagen. Ik zeg bewust “de zus” want Jan heeft iets met wit en dit interieur is allesbehalve dat, maar wel bijzonder sjiek en smaakvol. Een prachttent. Om af te rekenen word ik naar de Receptie (let op de hoofdletter) doorverwezen alwaar ik bijna mijn nek breek over een vloerkleed dat bij nadere bestudering de hond blijkt te zijn die languit en breeduit tegen de balie op de grond ligt. Het kan ook een Grizley zijn. Die is ongeveer net zo groot. Het zijn slechts details. Ik reken af en precies op dat moment komt de rest van onze groep aangeprutteld. Elf motoren denderen de parkeerplaats op. “Mes amis”, vertel ik de eigenaresse die meteen dollartekens in haar ogen krijgt. Robin en ik zijn echter klaar en we vertrekken.

De rest van de rit naar Tours is veel van hetzelfde maar niet vervelend. Rond vier uur vinden we het hotel. Onze Ducatisties zijn al gearriveerd en er staat ook al één van onze Goldwings geparkeerd. De temperatuur is inmiddels weer gestegen naar zevenendertig graden. Er is geen airco. Ik vind het best. Who cares.

 

 

 

 

 

Alle bedevaart berichten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.