Duitse middelgebergtes – Crottendorf

Het eerste wat ik doe als ik wakker wordt is naar buiten kijken. Blauwe lucht! Da’s alvast een goed begin. Het betekent dat ik na het ontbijt en ingepakt te hebben mijn spijkerbroek en doorwaaispullen kan aantrekken. Met ruim twintig graden en een zonnetje is de dag zoals ik vind dat motordagen moeten zijn. Na Schmalkalden koers ik naar het oosten en het is meteen mooi rijden. De omgeving is van alles en nog wat. Bossen, heuvels, akkers, dorpjes, slingerwegen. Soms heb ik een uitzicht dat tientallen kilometers ver reikt en uitkijkt over glooiende graanakkers. Met de zon erop is het net een ansichtkaart. Prachtig. Dan weer kom ik wegen tegen die circuitwaardig zijn. Alleen de curbstones ontbreken nog. Strak, breed asfalt waar geen krasje in zit met mooie overzichtelijke bochten. Er staan bordjes “Rennsteig” bij. Geen idee wat het betekent maar euhhh… racetraject? Mensen die mij kennen weten dat ik een groot liefhebber ben van dit soort wegen maar toch doe ik het relatief kalm aan, want alleen en dertig kilo bagage op de brommer. Ik wil graag heelhuids thuis komen.

Volgens bordjes rijd ik door het Ertsgebergte. En het is genieten. Het is er ook rustig. Beter dan het Sauerland of de Eifel waar tout motorrijdend Nederland achter elkaar aan pruttelt. Maar toegegeven, dat is een stuk minder ver vanaf huis dan het Ertsgebergte. Wat dan weer jammer is: al die Umleitungen. Natuurlijk, vanwege die Corona ellende moeten de mensen aan het werk gehouden worden en wegwerkzaamheden is daar een oplossing voor. Maar alsjeblieft! Toch niet na elke twintig kilometer?! Precies waar ik mijn routes gepland heb? Jawel, het lukt, maar op een zeker moment, na een Umleitung in een Umleitung in een Umleitung, is mijn Garmin toch dusdanig de kluts kwijt dat ik genoodzaakt ben om de route opnieuw te laden. Ik laat het ding zoeken naar het eerstvolgende routepunt maar dit ligt zover weg dat ie besluit de Autobahn op te zoeken. Dat mot ik niet. Ik knutsel dus zelf een routepunt en dat werkt. Het resultaat is een uur extra reistijd. But who cares?! Het is vakantie en ik heb tijd zat.

En opnieuw een Umleitung. Ik stop voor het bord dat me verbied verder te rijden en dan komen ineens een viertal motorrijders me tegemoet. Vanuit de richting die afgesloten heet te zijn! Ik maak een vragend gebaar en één van de mannen gebaard terug dat ik erdoor kan. Rijden! Het is nog een aardig stuk en dan zie ik de wegwerkzaamheden. Grind en gedoe. Er staan wegwerkers die me vragend aankijken. Ik zie een parkeerplaatsje aan de zijkant en gebaar dat ik daar overheen wil. De mannen kijken me appelig aan en reageren niet. Daar zijn de wegwerkers hier blijkbaar goed in: appelig kijken. Eén van hen snauwt iets naar me maar ik versta hem niet. Immers, domme Hollander. Ik kijk hem appelig aan (ik kan dat ook) en rijd om hem heen over de parkeerplaats. Klaar. En door. En dan snap ik waarom die route over deze weg wil. Een Rennsteig. Alweer. Nee, geen curbstones. Dat nog net niet. Maar sturen man! Fantastisch!

Het laatste uurtje naar de eindbestemming. Ik rijd in de buurt van de Tsjechische grens. Donkere onweerswolken pakken zich samen. Ik besluit om te kleden. Nog geen vijf minuten nadat dat gebeurd is krijg ik een stortbui. Keurige timing. Dan wordt het droog, de lucht breekt open… zon. Top!

Ik ga voor een camping. Die had ik van tevoren opgezocht. Pension Kalkberg, ergens in de bossen, in the middle of nowhere. Het is een gok. Op de website ziet het er leuk uit maar… is er plaats? Is ie eigenlijk wel open? Geen idee. Het is vier uur in de middag. Ik zie de bordjes en draai het bos in. Volgens Garmin rijd ik over een afgesloten weg tegen het verkeer in. Maar de bordjes zijn glashelder. Fuck Garmin! Dan zie ik een boerderij. Of zoiets. Ik ben er. Mensen met een Duitse camper zijn net bezig in te checken. Ik wacht geduldig mijn beurt af. Dan komt de eigenaresse (denk ik) naar me toe en vraagt me wat de bedoeling is: pension of camping. Camping, antwoord ik. Dat kan. Ik vraag of ik er kan eten. Dat kan ook. Nee, geen á la Carte. Gewoon wat de pot schaft. Ze heeft iets van fleisch, kartoffeln en bietjes. Geloof ik. Ik vind het allemaal best. Zolang het niet meer beweegt is het goed. Toch?

Leuk veldje. Vrijwel verlaten. De Duitse camper en ik zijn de enigen. Tentje opzetten. Het weer kan niet beter. Ik mag electriciteit gebruiken. Er staan kasten op verschillende punten. De enige kast die open is is door de Duitse camper in gebruik maar er zitten nog acht aansluitpunten naast. Mijn stroomkabel is maar vijf meter lang. Ik maak een praatje met de Duitsers. Of ik mijn tentje voor hun neus mag zetten. Ongeveer dan. Dan blijkt de Duitser te weten hoe de andere kasten open kunnen. Ook weer gefixt. Maar… we hebben leuk contact. Vriendelijke mensen. Als ik met mijn tent sta te kutten komt de man met zijn zoontje ernaast vragen of zijn zoontje mij mag helpen. Het zoontje durfde het zelf niet te vragen. Natuurlijk mag hij dat! Het is een tentje van niks maar de knul helpt dapper mee. Hij lult in iets van een Duits dialect dat ik nauwelijks versta en ik lul terug in steenkolenduits. Wij begrijpen elkaar. Wij zijn maatjes. Het joch is onder de indruk van mijn motor. Dat is logisch. Iedereen is onder de indruk van KTM. Tien minuten later rijd ik met de knul op mijn schoot (zo ongeveer) de camping in de rondte. Hij vindt het prachtig. Hij wil later ook een KTM. Weer wat later zit ik bij de Duitsers voor de camper onder de luifel, drink ik hun koffie op en krijg ik een stuk cake. Heerlijk.

Het gekloot met die tent, luchtbedje, slaapzakje, gepruts… het contact met andere mensen dat je op een camping zoveel makkelijker legt dan in zo’n muffe, saaie hotelkamer, hier doe ik het voor. Ik geniet met volle teugen. Echt. Nou hopen dat het droog blijft. Want als het gaat regenen… dan wordt het een ander verhaal.

Alle berichten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.