Duitse middelgebergtes – Heidenau

Wekker. Half acht. De zon is net boven de horizon. Redelijk geslapen. Tent uit, douchen. In een werkelijk hypermodern en spic en span sanitairgebouw. Perfect. Ontbijten. Het eten gisteravond was met liefde door de vrouw klaargemaakt maar Cas Spijkers zou z’n neus ervoor ophalen. Herman den Blijker waarschijnlijk ook. Maar ik ben niet culinair aangelegd en vind het al snel goed. Ik werk het naar binnen, klaar. Hatseflats. Een mens moet eten. Als de heer des huizes me vraagt of het geschmeckt heeft antwoord ik “fabelhaft!”. Hij schiet in de lach want hij gelooft er geen moer van. Hij kent zijn vrouw, denk ik. Het ontbijt is daarentegen dik in orde. Geen klachten. Er ligt een plastic zakje bij. Of ik wat overblijft wil meenemen? Moet vanwege Corona. Tuurlijk wil ik dat! Nou, eigenlijk niet want kaas en vleeswaren een hele dag in een warme tanktas? Maar de vrouw is superlief en nee zeggen is gewoon geen optie. Daarna mag ik negenentwintig euries aftikken. Doe maar dertig. Voor alles. Dat is dan weer leuk. Als ik buiten een vuilnisbak zie en de vrouw buiten beeld is pleur ik de handel erin. Toedeledokie!

Het inpakken van alle spullen vergt toch even tijd. Maar het kan in een heerlijk zonnetje. Dat scheelt de wereld. Ik moet er niet aan denken dat ik dit in de regen zou moeten doen. Dan gaat het wel heel erg op werken lijken. Om even over negen heb ik alle meuk weer in de koffers en de roltas, dan de overburen gedag zeggen en om half tien rijd ik het terrein af. Ik heb genoten. Echt waar. Pension Kalkberg is een topper!

De bestemming vandaag is een rondje door de kop van Tsjechië en dan terug naar Heidenau, onder Dresden. Een hotel. Helaas. De eerder gevonden en geplande camping blijkt volgeboekt. Volgens de website. En de Duitsers tegenover mij vertelden me dat werkelijk alle campings rondom Dresden zijn volgeboekt. Want Duitsland is op vakantie, buitenland en Corona is een dingetje en de mensen willen toch wat. Ik zou kunnen gokken op de aanwezigheid van een doorgangsveldje voor kleine tentjes maar als ze die niet hebben? Of dat ook vol zit? Ik ga voor zekerheid. Via Booking vind ik een hotel. Bij Heidenau, zoals reeds geschreven.

En opnieuw is het prachtig rijden. Natuurlijk, met een graadje of tweeëntwintig en een zonnetje ziet alles er prettig uit, maar toch is de natuur schitterend. Ik rijd door lange dalen, door de bossen, slingerwegen naast een snelstromend beekje, genieten! Dan bij Hrensko de grens over, Tsjechië in. Het Naturpark Sächsische Schweiz. En hier is iets aan de hand. Ik zie borden met iets van Klamm, dat “kloof” betekent en blijkbaar vindt tout Duitsland dat helemaal geweldig. Want tout Duitsland is hier! Verzameld op een paar vierkante kilometer. Tientallen parkeerplaatsen en -terreinen: vol! Tientallen restaurants en terrassen: vol! Het krioelt van de mensen. Een mierennest! Honderden wandelaars en fietsers. En veel blik. Ik ben echt verbaasd. Ik kijk om me heen wat hier dan wel zo bijzonder is… geen flauw idee. Ook als ik het binnenland inrijd, de natuur in, blijft het druk. Dit is echt een vakantiekolonie. Er is ook veel Polizei die de boel in de gaten houdt. Mondkapjes? Waarom? Hier heerst geen Corona, schijnt het. Da’s een geruststelling. Normaal vind ik het hartstikke leuk om een Klamm te bekijken maar in deze drukte? Ik zou niet eens weten waar ik prettig de motor kwijt kan, met alle bagage erop. Ik bedank voor de eer. Doorrijden!

Na twee uur Tsjechië rijdt ik de grens weer over, Duitsland in. Door de vele Umleitungen heb ik er bijna twee uur reistijd bijgekregen. En de trip was al stevig. Inmiddels is de temperatuur gestegen tot rond de vierendertig graden. Alles bij elkaar maakt dat ik naar het einde begin te verlangen. Ik vraag aan de Garmin een shortcut. Dat levert nauwelijks iets op maar het apparaat wil wel de Autobahn op. Dat spreekt me wel aan. Dan kan ik even met gezicht op “dom”, blik op “oneindig” de kraan openschroeven. Ik ga ervoor. Wat later pruttel ik met een gezapige honderdnegentig in het uur. Zonder dat ik veel hoef op te letten gewoon even knallen. Heerlijk! Dan moet ik eraf, Dresden in. En weer binnendoor.

Wat me opvalt: alle Duitsers rijden dertig. Of vijftig. De ene helft doet dertig, de andere helft vijftig. Per uur. Alleen op de Autobahn gaan ze harder. Iets. Waarom ze dat doen? Keine Ahnung (dat leerde ik eergisteren, van die appelige wegwerker). Waarschijnlijk omdat overal bordjes staan met die getallen erop. Staat er zo’n bord, dan gaan ze vol op de rem. Vol! Scheisse! Of ze nou in een dikke BMW zitten of een Audi A8… dertig! Of vijftig. Dat rijdt lekker zuinig. Neem dan een Eend, zou ik denken. Of een rollator. Die gaan net zo hard! Ik denk dat die Duitsers allemaal zeeën van tijd hebben. Zó langzaam gaan ze. Ik niet. Ik heb haast. Want vakantie en dus een vol programma. De enige Duitser die ontiegelijke haast had was die gozert met dat rare snorretje en die spuuglok. Oh nee, dat was een Oostenrijker. En die had geen Audi A8. Hoe dan ook, ik ben ze voorbij gereden. Allemaal. Ze zullen vast gedacht hebben: verruckte Holländer! Dat moet dan maar. Dus als jullie in Duitsland gaan rondrijden en die mensen gaan zitten schelden, gewoon mij de schuld geven. Vind ik goed. Ik ga door het stof. Echt.

Het hotel is netjes. Een doorgangshuis voor mensen die onderweg zijn. De kamer is dertien in een dozijn maar geen klachten. Het voordeel: ik hoef niet in de volle zon en vierendertig graden een tent op te zetten en in te richten. Gewoon de spullen neerflikkeren en onder de douche stappen. Het nadeel: het is een saaie, muffe, eenzame hotelkamer. Johan Cruyff had gelijk. Over voordelen die z’n nadelen hebben.

Morgen verder. Terug naar het westen.

Alle berichten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.